HomePageAlgemeenBiologieNatuurkundeScheikunde
ANW
|
4 VWO-H7-P4VWO PULSAR SAMENVATTING HOOFDSTUK 7(Door Arie Hamaker) §7.1 DICHTHEIDDe dichtheid is gedefinieerd als massa per volumeëenheid. In de tabellen 8 (metalen), 9 (metaalmengsels), 10 (andere vaste stoffen), 11 (vloeistoffen) en 12 (gassen) zijn de dichtheden van veel stoffen vermeld. In de tabellen 8 t/m 11 is de eenheid 103 kgm−3, ofwel de dichtheid is weergegeven in duizend kilogram per kubieke meter. In de scheikunde op school maken we nooit gebruik van kubieke meters stof, da’s veel te veel. Tabel: ![]() §7.2 REACTIE EN VERHOUDING IN MOLIn de samenvatting van hoofdstuk 5 heb je gezien dat de mol niets anders is dan een vast aantal deeltjes: zeshonderd triljard. Uit de reactievergelijking haal je via de coëfficiënten de verhouding waarin deeltjes met elkaar reageren, maar dan ook de molverhouding waarin de betreffende stoffen met elkaar reageren (als twee deeltjes A reageren met één deeltje B, dan zullen ook twee maal zeshonderd triljard deeltjes A reageren met zeshonderd triljard deeltjes B, dus twee mol A met één mol B). §7.3 CONCENTRATIEDe concentratie is gedefinieerd als de hoeveelheid opgeloste stof per hoeveelheid oplossing. De hoeveelheid opgeloste stof kan je bv in grammen uitdrukken, maar in de scheikunde is het gebruikelijk om dat in aantal mol te doen. De hoeveelheid oplossing wordt (bijna) altijd in liters uitgedrukt. Men spreekt dan van de molariteit:
De molariteit wordt met M aangegeven en de concentratie van een bepaalde stof geef je weer met de formule van de stof tussen twee rechte haken. Dus als de molariteit van een glucoseoplossing 0,034 mol per liter is, geef je dat als volgt aan: [C6H12O6] = 0,034 M. Gaat het om een zoutoplossing, bv een CuCl2-oplossing, dan geef je de concentratie (molariteit) niet weer met [CuCl2], maar je spreekt dan van een (bv) 0,45 M koperchlorideoplossing. De concentraties van de ionen kan je weer wel met [Cu2+] en [Cl-] aangeven. Deze concentraties hoeven niet gelijk te zijn aan 0,45 M! Voor de koperionen geldt wel [Cu2+] = 0,45 M, maar voor de chlorideionen geldt [Cl-] = 0,90 M. §7.4 GEHALTESZodra het over een mengsel gaat, kan je spreken van het gehalte van een bepaalde stof daarin. Dat gehalte kan weergegeven worden met de molariteit, maar ook met percentage = delen per honderd delen ![]() Ook kan men het gehalte weergeven met de MAC (maximaal aanvaardbare concentratie) of met de ADI (aanvaardbare dagelijkse inname). §7.5 REKENEN AAN REACTIESDenk erom: nooit tussentijds afronden op je rekenmachine! Je moet altijd verder rekenen met het net berekende, net zo lang tot je het eindantwoord hebt. Dat moet je significant verantwoord afronden.
§7.6 REKENEN AAN REACTIES IN OPLOSSINGReacties in oplossing zijn meestal neerslagreacties (of zuur-base reacties). En in §7.3 bleek dat de molariteit van ionen niet gelijk hoeft te zijn aan de molariteit van het zout. Het stappenplan uit §7.5 kan weer gebruikt worden met ééb extra stap: Vraag: hoeveel gram zilverchloride slaat neer wanneer je overmaat zilvernitraatoplossing toevoegt aan 25,0 mL 0,10 M aluminiumchlorideoplossing?
§7.7 GASSENIn de derde klas heb je de wet van Avogadro leren kennen. Omdat een liter van willekeurig welk gas altijd hetzelfde aantal moleculen bevat (mits de temperatuur en de druk vastliggen), zal é´n mol van welk gas dan ook bij vastliggende T en p een vast volume innemen. Bij 0°C (237 K) en standaarddruk (p) is dat 22,4 dm3 , bij 25°C (298 K) en p is dat 24,5 dm3 . Rekenschema: ![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||