HomePageAlgemeenBiologieNatuurkundeScheikunde
ANW
|
4 HAVO-H3-P4HAVO PULSAR SAMENVATTING HOOFDSTUK 3(Door Arie Hamaker) §3.1 KOOLSTOFVERBINDINGENKoolwaterstoffen vormen een belangrijk deel van de koolstofverbindingen. Een belangrijke groep van de koolwaterstoffen zijn de alkanen, algemene molecuul-formule CnH2n+2. Van de eerste zes alkanen moet je naam en formule kennen (tabel blz 58).
De molecuulformule van butaan is C4H10 en de structuurformule CH3-CH2-CH2-CH3. We geven altijd de keten van koolstofatomen in een rechte lijn weer, maar in werkelijkheid is deze keten een zigzagvorm.
De ketens van koolstofatomen kunnen onvertakt (alle koolstofatomen achter elkaar, zoals hierboven) en vertakt (een zijtak van een of meer koolstofatomen) zijn.
§3.2 SYSTEMATISCHE NAAMGEVINGBehalve waterstofatomen (of andere koolstofatomen) kunnen ook halogeenatomen aan een koolstofatoom van een alkaan gebonden zijn, men spreekt dan van een karakteristieke groep. Bij voorbeeld chloormethaan, CH3Cl. In de naam is ‘chloor’ het voorvoegsel en ‘methaan’ de stamnaam. Is in een langere koolstofketen een halogeenatoom aan een van de C’s gebonden dan wordt dat koolstofatoom in de naam aangegeven met een plaatsnummer, bv 2-broombutaan voor CH3-CHBr-CH2-CH3. Je zou deze stof 3-broombutaan kunnen noemen, maar de afspraak is het plaatsnummer zo laag mogelijk te houden, dus is hier het meest linkse koolstofatoom nr 1, niet het meest rechtse. Handig om te weten: Een naam geven aan een structuurformule doe je in drie stappen:
Moet je uit de structuurformule een naam halen dan
§3.3 ALKENENIn de moleculen van verzadigde koolwaterstoffen komen alleen maar enkelvoudige atoombindingen tussen de koolstofatomen voor, in de moleculen van onverzadigde koolwaterstoffen is er sprake van een dubbele binding tussen twee koolstofatomen. Als zo’n dubbele binding tussen twee koolstofatomen aanwezig is, kunnen er twee waterstofatomen minder aan de betreffende koolstofatomen gebonden worden, de koolwaterstof is ‘onverzadigd aan waterstofatomen’. Is er één dubbele binding in het molecuul aanwezig (meer dubbele bindingen kan!) dan noemt men de koolwaterstof een alkeen, algemene formule CnH2n . Vanaf buteen moet je de plaats van de dubbele binding met een plaatsnummer aangeven, bv 2-buteen, CH3-CH=CH-CH3. Je geeft dus als plaatsnummer het laagste van de twee nummers van de koolstofatomen, waar de dubbele binding tussen zit. Van welke kant je ook telt, dat is nr 2! §3.4 ADDITIEREACTIES BIJ ALKENENWanneer in een molecuul van een bepaalde stof een C=C binding voorkomt, bv een alkeen, kan die stof met een halogeen (F2, Cl2, Br2, I2) reageren, waarbij de dubbele binding een enkele binding wordt, tegelijkertijd de atoombinding tussen de twee halogeenatomen wordt verbroken en beide koolstofatomen een halogeenatoom aan zich binden. Men noemt zo’n reactie een additiereactie (additie=toevoeging). Bij een additiereactie ontstaat altijd één molecuul uit twee moleculen. §3.5 ALCOHOLEN EN CARBONZURENStoffen met in het molecuul een –O–H groep (hydroxylgroep) noemt men alcoholen. Zitten er verder alleen C en H atomen in het molecuul dan noemt men de stof een alkanol, algemene molecuulformule CnH2n+1OH . Bij de alkanolen komt (vanaf 3 C’s) ook isomerie voor, bv 1-propanol, CH2OH-CH2-CH3 en 2-propanol, CH3-CHOH-CH3.
In boeken wordt de carboxylgroep vaak weergegeven als –COOH. Dit staat niet voor –C-O-O-H, maar voor destructuur rechts! |