HomePageAlgemeenBiologieNatuurkundeScheikundeANW
|
Inleidende VerhaalIk doe een oog open. Mijn andere oog blijft dichtplakken. Ik til langzaam mijn hoofd omhoog en voel de dauw op mijn lippen. Ik lig met mijn buik op zand en voel zandkorrels kriebelen aan mijn armen en water kabbelen aan mijn voeten. Waar ben ik? Wat doe ik hier? Wat is het warm hier! Mijn klasgenootjes zie ik om me heen liggen op een strand. Een paar lopen wat duf rond of helpen anderen rechtop te gaan zitten. Wat is er allemaal gebeurd sinds die knal op het schip? Waar zijn onze docenten? En wat is er van onze reddingsboten overgebleven? Ik ga zitten, vermoeid en besef dat ik erge dorst heb. Gelukkig heb ik nog een pakje Taksi in mijn rugzak zitten. Maar waar is mijn rugzak? Ik kijk om me heen maar zie nergens voedsel liggen. Geen Taksi of Snickers zelfs geen broodje kaas. Als ik voor me kijk zie ik een dicht bos voor me. Links en rechts van me zie ik strand. Het zicht aan beide kanten van het strand wordt afgeschermd door grote ruige rotsen. Wat is daar achter? Leerlingen kruipen half verdwaasd naar boven en kijken door het gebladerte van het bos het oerwoud in. Echt zoeken doen ze niet, het is meer alsof ze rondsnuffelen in een warenhuis terwijl je eigenlijk niets nodig hebt. Eentje trekt er aan een blad en de ander duwt wat takken opzij om beter te kunnen zien. “Hé, een konijntje”, zegt iemand naast en ik draai me om. En inderdaad zie ik daar langs de rand van het bos een lief klein bruin wit konijntje huppelen. Zodra het konijntje ons opmerkt stuift het langs de rand van het bos weg om opeens te verdwijnen in een hol. Of is daar een sluiproute zo smal dat alleen konijnen er doorheen kunnen? Hoe komen er eigenlijk konijntjes hier. ’s Avonds liggen we dicht tegen elkaar op het strand. Zo warm als het de hele dag is geweest zo koud is het onder de heldere hemel. Sterren schijnen op ons, maar daar worden we niet warmer van. We durven niet het bos in. Er klinken vreemde geluiden in het bos. Geritsel langs de rand, dat zullen de konijnen wel zijn. Maar in de verte hebben we ook grotere dieren gehoord en één leerling dacht zelfs iets groots te zien lopen. Haar luide gil van schrik werd beantwoord door een troep opvliegende vogels dieper het oerwoud in. En wat was dat luide en langgerekte gehuil. Het lijkt wel het huilen van wolven. En de kou is nog niet het ergste. Iedereen bleef in het begin een beetje rondhangen en kijken. Er werd niet veel gedaan. Maar we kregen in de felle zon wel heel erge dorst. Maar het enige water wat we konden vinden om te drinken was het zoute water van de zee. We durfden niet het strand af. Een paar stoere jongens en meiden waren over de rotsen geklommen. Toen ze na een uurtje weer terug kwamen melden ze dat achter de rotsen weer strand was en nog meer bos. Ze dachten in de verte ergens in het bos, bananen te hebben zien hangen. Niemand voelde zich geroepen om bananen te gaan halen. Een aantal had zich flink verwond aan de scherpe rotsen. De rotsen zijn niet ideaal om over te lopen. En natuurlijk kregen we honger. Doordat de meeste geen eten mee hadden was het eten snel opgegeten. Nu na een dag in de zon en bij het water, hoorde ik in de nacht mijn eigen buik of die van een anderen knorren. In het begin nog wel leuk, maar honger is niet leuk. Vooral niet als je heel erg veel honger hebt. En hoe lang blijft dit nog duren? Daarna een intro-gesprek, klassegesprek oid : welke problemen kom je tegen op het eiland? aansturen op de volgende thema’s:
Leerlingen kunnen er dan een probleem uitkiezen en het met een groepje van 4 ? personen gaan “oplossen”. |